Stichting Cumuli
Poëzie

[mailto:info@cumuli.nl]
In de Actie Poëzie: Gedicht van de Maand’ publiceert Cumuli de eerste zaterdag van elke maand een nieuw gedicht van Cornelis van der Grift. Zij worden als kaartjes toegezonden aan boekhandels in Nederland en België en via mail aan anderen. De bundel ‘Verbeeldingen, fantasie in woord en beeld’ is verschenen met gedichten van Cornelis van der Grift en schilderijen van Els Kramer. Lezen? Ga naar de knop van de maand. Bestellen? Ga naar de webshop. # Poëzie Abonnement - 12 gedichten per jaar
[./cumulimuziekpag.html]
[./indexpag.html]
[./cumuliconcertenpag.html]
[./cumuligitaarstudiopag.html]
[./cumulikunstpag.html]
[./cumulieducatiepag.html]
[./cumuliwebshoppag.html]
[mailto:info@cumuli.nl]
[./cumulicompactdiskspag.html]
[./cumulimusicologiepag.html]
[./cumulilinkspag.html]
OKTOBER Lange uren luisteren naar fluisterende populieren bladeren vol ongeduld. Glazen kristallijnen druppelende ruiten watermozaïeken zien uit naar buiten. Tien dagenlange maanden tot dit niet te vermijden getijde van het jaar. Wind waait de wolken weg de wereld kwijnt in het gevecht om leven in het voorjaar. Wie wint er?
STAD Vaste blokken stof tot steen saxofonen ornamenten overslingeren versierend strakke lijnen leegte. Volle aders straatverkeer staande golvende geluiden zoeken wemelende wegen uit de val ontsnappen. Volgen vaste rituelen gaande massa medewezens wegen in dit leven. Totdat deze stille stad voor een enkel eenzaam uur verwordt tot labyrint van rust.
HET PAARD EN DE EZEL De pakezel gaat met de last op zijn rug zijn weg door de straat telkens heen en terug. Het glanzend paard dat hem gadeslaat gaat in zijn verbeelding de ezel te vlug. Het droompaard denkt dat het pak dat hem pracht geeft hem stempelt tot iemand die wijsheid in pacht heeft en hij nu daardoor tot de adel behoort waarvoor deze ezel zich duidelijk in acht neemt. De pakezel peinst: deze last die ik draag maakt mij in mijn wandel zo uiterst traag; als ik mij verlos van wat ik nu tors sta ik in de achting vast niet meer zo laag. Ezel en paard zijn wezens als wij; maar wie is die ezel, ik of jij?
ACHTER Anders weer moet alles worden woorden telkens nieuw gewogen welke waarheid uitgesproken achter de herhaalde vormen. Proef de woorden in je mond zie ze niet achterste tong klanken vormen zich tot taal die de tekens beeldend vormt. Anders dan je ziet en hoort speelt het leven slechts een spel leeft het wezen mens maar even. Deze woorden weergegeven leven echt een ander leven achter wat hier niet kan staan.
Dit is een ‘slow-site’ neem rustig de tijd!
KINDERLYCK Rijg de woorden aan elkaar parelende druppels water bevroren vasthouden om later weer te zien, nietwaar? Bloemen ademen op ruiten vriezen buiten in de wind kleine adem van het kind dat er ooit was: een liedje fluiten! Zelfs de ramen zijn bevroren vorm de sneeuw met warme hand zinderend gaan om de oren rood nog van de koude wind woorden geschreven als een kind.
CRYPT-O-GRAM Noem een Frans ritme het verkeerde been; plaag An na deze ziekte echter niet. Weerszijdig kort, het heeft met rum gemeen dat je'r toch heus een verse voet in ziet. Het is een schande zo'n gedicht te eren hoe ongerijmd sist de Chinese drank. Ik raad met klem de toon niet om te keren: Latijnse kunst is per vers pond heus blank. De tweede regel is het beentje lichten; geen letter lucht vormt binnen in de klank een versloos rijm: maar zie eens Poe zo dichten. O, ‘t spits gevonden rijmend fenomeen schrijft uit het graf, tussen het zijden weefsel, de liefde voor een ingesloten wijsheid.
ONTMOETING Ik kwam mezelf tegen in de maartse zon om een uur of negen bij centraal station. Ik groette hem beleefd; hij zei geen woord terug. Was het zó lang geleden? Wat gaat de tijd toch vlug! Hij kende mij niet meer, maar als ik eerlijk ben: ik was hem ook vergeten tot op dit moment. Ik liet mezelf maar gaan. Het had geen zin om stil te staan om over vroeger wat te praten. Ik heb het zo gelaten.
DICHTER Dichter bij het leven dichter bij de dood dichter om te geven woorden voor wat brood. Lichter dan het leven lichter dan de dood lichter om het even woorden zwaar als lood. Doder dan wat woorden doder dan de taal doder is het horen leven zonder woorden. Levender dan woorden levender dan taal levender te horen mensen zoveel maal.
LANGE WEG Lange weg die voor je ligt zolang het leven is; woorden schrijven een gedicht zoals gegeven is. Zoals elk evenwicht even maar kan voortbestaan zo kan de weg die voor je ligt niet eindloos verder gaan. Niet zonder einde gaan er woorden in die zin. Gedachten kunnen zich spontaan omkeren tot begin. De lange weg die voor je ligt teruggaan tot het eind; het denkbeeld dat je voet verlicht en je daarvan bevrijdt.
TOEKOMST Duister blijft voor wie niet ziet verder dan een lengte arm of beslagen raam voor ogen. Dwaze bol die wereld heet wendt zich om en om in as zet zijn wederhelft in duister. Kracht van zwaarte, krommen kruipen rond in stof, even gewicht; machteloos, maar opgericht. Licht naar de dag die nachtloos waakt reik hoopvol uit wachtende handen Er is geen keus: de aarde draait voor wie niets ziet dan licht.
VERBORGEN LEVEN Dagen zijn als alle andere opgestaan gegaan naar buiten wereld weigert te veranderen anders dan door ogen zien. Leven toont zich niet misschien onderhuids bewogen lading welke werkelijkheid wacht er achter elke handeling. Doe de voetstap breed berekend afstand met een nadere poging zonder zichtbaar diep betekend onbedachte aarzeling. Gaat het zo aan je voorbij onverloren schuilend ding welke wereld wordt ontketend onbewogen spiegeling.
POËTEN Ik ben die laatste stad voorbij gegaan, maar heb de berg niet achter mij gelaten. Voor wie dit lezen wil als een vroom man: hoofse saudades zijn versluierend verlaten. Van vriezen balkt men hier ter land victorie; schier werd de beek woestijn, door ‘n nare kou. In ‘t holst van Roland's lied verkrampt de glorie; verwarrend donker: houd ‘t oog op het vinkentouw! Vast als een duur perron, kaal, ‘t is maar niks grijzen; die els schoot op in ‘t perk der verre wei, mijlen ver van Jhan; lood om oud eizen. De kop van ‘t land, en met ‘s mans mars erbij, doet, stralend licht, een nieuwe hof verrijzen, als favoriet; ha, kom in de rij.
klein ik ben zo klein zo klein als jij het zo te zijn lijkt bijna pijn je aandacht richt zich nu op mij je ogen gaan mij lezen je handen strelen over mij je adem doet mij leven ik leef afhankelijk van jou jouw taal aan mij gegeven jouw lezen is mijn levenstocht jouw woorden zijn geschreven ben ik te klein te klein voor jou toch is het fijn bij jou te zijn
STIL LEVEN Woorden sterven op papier worden zinnen zonder adem vormen lege tekens die betekenissen zijn verzameld. Sprakeloos verdwijnen klanken in het heengaan van de tijd blijft begrijpen onveranderd zoeken mensen er voorbij. Langzaam wordt het leven stil kan de leemte niet vervullen die bewegend voort moet gaan adem van verstikt bestaan. Mantel liefde moet verhullen beelden van verstild stil leven.
INGEVING O, inspiratie, ge komt mij kwellen in schier onmogelijke oorden. Wat ik met u daar heb te stellen is niet te vatten in deez' woorden. Zet ik mij bij wijlen neder voor een persoonlijk overpeinzen dan, ai mij! zijt gij er weder en wilt dien druk terug doen deinzen... Naarstig zoek ik naar mijn pen om uw gefluister te noteren, maar helaas schijnt mij dan net een papier te moeten ontberen. Geprikkeld grijp ik snel een vod dat voor mij lijkt weggelegd en schrijf ik ijverig en vlot wat gij in mijn gedachten zegt. Plots verstijf ik, want, o schrik! in ‘t vuur van mijn gedicht heb ik deez' schone poëzie bezoedeld en als ‘n uitdrukking doorgespoeld!
BEELDEN Ontluisterd ideaal ontmaskerde idolen niets dan nietige menselijke woorden. Sier van eenvoud dagelijkse dingen niets blijft over wenselijke dromen. Altijd vernieuwend zoeken naar wegen verborgen. Oude traditie dichter van woorden die worden.
VROEGER Kon ik voor een kort moment weer klein zijn en weer kind; dan was ik voor heel even maar in staat om onbevangen de achterdeur weer uit te gaan en aan de klink te hangen eventjes, bij heldere nacht, de sterren te aanschouwen. Even later ging ik dan als trouwe volgeling en moeders lief de trap omhoog, waar ik ontving voor al ‘t gedane van die dag een slaapvers en een zoen. Dat zul je nooit meer doen. Maar toch, de sterren stralen nog, tot wolken ze verdringen uit mijn herinneringen.
NOOIT Kom niet terug waarom de vragen stellen die niemand nog vermoedt. Ga niet voorbij de poging te hervinden waar niemand meer naar zoekt. Antwoord vooruit tot er geen vragen zijn het eind in mist verdwijnt. Geest uit een fles met onbeschreven handen. Niets komt terug dat nooit iemand zal vinden.
MARSMANIA Huilend om Holland zie ik duizenden buien lui door druilerig landschap gaan, grauwe onleefbaar vuile fabrieken al rookpluimend aan de randstad staan; en op de eindeloze asfaltige straten de autorijen gespreid over ‘t land, stoplichten, borden, opgebroken wegen, lichtmast en flitspaal in zinloos verband. de smog hangt er laag en de zon wordt er langzaam in grauwe geelkleurige dampen gesmoord, en in d'hofstad in ‘t westen wordt de stem der protesten tegen d'eeuwige rampen gesneerd, ongehoord.
LIED In het lied dat ik verzin zullen alle woorden staan die elke zin weer anders zijn. Verliefd, is dat een goed begin om te zijn verslingerd aan de kunst als nieuw te leven? Dit denkbeeld is als niets zo mooi het lijkt echt, voor maar even. Elke zin vormt in dit lied het middelpunt, dierbare adem. En een eenvoudig enkel woord verschijnt, om als een lied te zijn: "Jij".
WOORDEN GETALLEN De zeven draagt structuren, maar het ritme schrijft de woorden voor; door zevende getallen, gegeven letters, vallen accenten, elementen op hun plaats. In plaats van: ik-jij-hij-wij-jul-lie-zij, komt: een-twee-drie-vier-vijf-zes-ze-ven; afgeteld en opgesomd, met enige betekenis, of zonder een betekenis, dan die hier ongenoemd. Noem de tekens bij de naam, bewerk getallen totdat zij zelfs zelf dezelfde zijn als zij. Weerszijds gedragen in gevolgen vormen ledige getallen letterlijke volle woorden (Dit gedicht staat ook op pagina.web-log-nl).
ALSOF Wat jij wel wil weten is hoe ik zou heten maar mijn pseudoniem smoort dat in de kiem. Door mijn pseudo-niemand schuil ik achter iemand omdat ik jou niet ken weet jij nu niet wie ik ben.
Het lied van de huilende uien. Dit is het lied van de huilende uien; die arme uien, zij hebben verdriet. Ook zij willen weleens hun gal kunnen spuien, maar spreken, dat mogen of zullen zij niet. Hun kern blijft verborgen in diepe geschillen, die onder hun rokken verscholen gaan. Hun uiterlijk uiten, iets dat uien wel willen, spiegelt achter hun verholen bestaan. Uien zijn tot in hun tranen geroerd, verdroefde gevoelens brengen zij niet naar buiten, maar laten hen, onversneden, niet onberoerd. Verdrongen gedachten, die onbezonnen ontspruiten, en nauwelijks ontloken, onaangeroerd, laten zich zo niet uiten, roerbakken of fruiten.
avond angst nevelen nacht droomloos dicht duisterend inzicht versluierd licht in de avond deze nacht valt de wind bewegend stil stopt de tijd gebeurtenissen wordt de zon een wond geslagen ondergaat ten onder gaan kringen van een lege ruimte plaatsvervangende beweging stilstaand rondom niets voltrokken wervelwind die verder draait verstorven vuur in as verspreidt dwingen bomen wind tot stilte luwt de storm in het voorbijgaan niets blijft over dan de tijd dichter dan zichzelf dichtbij avond angst, avond angst nevelen nacht die droomloos dicht gloort met daglicht van vertrouwen levend leven tegemoet
blues waarin te zijn wind doet druppels tikken tegen ruiten stilte verbreekt alleen zichzelf en hierin ben ik niet waarin dan wel woorden vechten weg naar buiten verloren zinnen zijn gebroken zou ik hierin moeten zijn misschien niet daarin dat ik zijn zou struikelend om waarin te zijn blues (dit gedicht is te lezen op http://blog.seniorennet.be/joeltje)
WIE DIT LEEST Ik doe geen poging om je te bereiken en schrijf geen poëzie voor wie dit leest; probeer alleen om je te doen begrijpen wat ik bedacht of, hoe ik ben geweest. Ook denk ik geen moment aan kunst, of dichten; wat ik hier schrijf is toch geen literatuur? Ik formuleer om mij het denken te verlichten, beschrijf mijn leuzen op de witte muur van een betoverde kunstivoren toren, spiegelwand voor poëtische woorden: wie dit leest is zo gek nog niet. Maar ik blijf niet koud onder wat jij hier leest: van jou worden woorden.
GELEZEN in woorden uit zich poëzie ik zie ik zeg wat jij niet ziet laat zien wat jij hier niet kunt zien doorlezen zinnen leven niet lezen gaat niet over tekens zijn daarvoor te anoniem kunnen zelfs zichzelf niet zien met oog op hun betekenis door schrijven werken woorden en in zinnen wordt gelezen het inzicht dat begrepen is alleen het zuiver zichtbare levend letterlijke woord blijft altijd ongelezen (dit gedicht is ook geplaatst op de site www.opspraak.net )
IJS Ogen openen het doek wereld wit als in een boek stille levens opgevangen vastgelegd moment in ijs. Kristallen bloemen waterkleur de druppel op een glazen deur als een liedje van verlangen stilgelegd verstild tot ijs. Stilaan kijken en bewegen spiegels spreken onverzwegen frisgetint geblozen wangen kleuren neergelegd op ijs. Wijs van stille verticalen horizon hoort verre talen tingeltangel glazen klanken winterlicht kristallen ijs .
STIL Dag, gedichten, rijp of pril, schrijf gedachten mij voor ogen, zing je zangen ongelogen: zonder woorden is het stil. Letters, tekens, zonder zin, rijg je ritmen aan elkaar, ook al is er niets van waar: zonder woorden is het stil. Zeg je zinnen, zwoel of kil, voeg betekenissen samen, spreek ze uit als in een adem: zonder woorden is het stil. Zonder gedichten is het stil; laat je poëzie maar horen, lees van achteren naar voren; dag, woorden die ik horen wil. (Dit gedicht is geplaatst op de website pagina.web-log.nl en de website gedicht.nu)
SCHADUW Schaduw van nacht met lucht als licht weerschijnt vandaag uitzicht op morgen. Dicht in de nacht het duisterend licht wacht op de morgen verdonker vandaag. Een nieuwe dag met licht dat zacht de schaduw lijkt te wissen. Maar onverwacht verschijnt een dag van schaduwen als gisteren. (Dit gedicht is ook geplaatst op pagina.web-log.nl)
GELDOLLAND In Frankrijk leven alle goden, slechts de mindere blijven hier; kinderen, door de tijd gegeten, Holland geeft geen helden eer. ‘t Vaderland blijft geldbelustig, wordt verteerd door handelsgeest; men verkoopt zijn moeder luchtig voor wat er een gek voor geeft. Kunst bestaat uit pegulanten, kleingeest denkt in eigen beurs; zielig zuchtend, weet van wanten, vingerwijzend: domineurs. Strak Samgeestig en kleindenkend, stroef stofwolkend, schone schijn, en het enige dat telt.. (Dit gedicht is te lezen op de website www.gedicht.nu en op pagina.web-log.nl)
LICHT Tergend langzaam in de geest, licht het lichaam als het leeft, kan haar holheid niet verhullen. De toekomst is nog niet vervuld, het uur der waarheid heeft nog niet gesproken. Gebroken leeft een mens zijn strijd, de tijd die durend verder draait verliest bij klokslag zin. Verloren vuur verteert het licht; het lichaam brandt als bloed dat aderlatend leven moet. Brokstukken liggen als verspreid, verveeg de as verlorenheid, want roet verduistert het gezicht. In deze zin verschijnt het woord, het vurig levend lichaam licht, vederlicht.
grijs deze woorden zijn geschreven maar zij zijn niet wat jij denkt heel anders dan verwachtingen kunnen gedachten gaan los van legeloos voorspelling schrijf ik je de woorden voor zodat jij ook begrijpen kunt en kent wat ik bedoel versluierend vergaat de glimlach van het grijzende gelaat met open ogen verstard in staren naar hopeloos vervlogen jaren (Dit gedicht is ook te lezen op pagina.web-log.nl)
STENEN Ga weg in de eenzaamheid van taal die als geen ander spreekt; de woorden gaan vergeefs verloren voor wie als versteend niet horen het spreken van het hart. Vervolg de weg in eenzaamheid omdat ik zie wat niemand ziet; de beelden zijn verward vergruizeld voor de verduisterende ogen zij weigeren het licht. Achtervolgd door eenzaamheid stuiten telkens op de muur de woorden van onmogelijkheid om je te doen bereiken. De weg van eenzaamheid vervolgt mijn voetstappen een weg terug als sporen van verloren woorden gekrast in de gebarsten muur van stenen, stenen beelden. STENEN
ZWIJGEN Dichters zijn geen dichter door gedachten gedachten zijn het goed van iedereen van iedereen zijn woorden te verwachten verwacht de dichter door verbeelding heen. Achter de verbeelding van de dingen dingen dichters naar een dieper werkelijkheid maar werkelijkheden laten zich niet dwingen in de dwangbuis van begrijpelijkheid. Weerbarstige beelden worden inhoudsloos verlaten vervlakt op plat papier, verwrongen tot verwoorde gaten ziedend scheuren cirkels open en doodlopend oeverloos kenteren tradities verder in de niet als het ware wereld. En weer heen slingert het uurwerk tijd onbeschreven stalen wetten worden horizonnen tandeloze raderen slingeren onbegrensde woorden onafgebeten mond op mond beademd voort.
WAALSIFLAGE In het bokkehokje schiet het korte bokje wat een grote bok! Bokkeke wat bok je met je koppig kopje tegen ‘t kromme hok? Bokje waarom mok je touwtje bekje trok je aan de bokkeklok? Keutelaar met propje baardje staartje wolkje bokkepootje mop! Koppig bokkig bokje duivels hoorntjes kopje zetje pruikje op... In het bokkehokje staat het bokkig bokje met een mekkerkopje geitewollen sok.
ZOVEEL Zoveel mensen te ontmoeten, zoveel zinnen te ontsluiten, zoveel is de pijn die ‘t doet in je hart van vlees en bloed. Hoeveel harten te beluisteren, hoeveel ogen te betoveren, hoeveel is er meer dan goed voor je hoofd dat denken moet? Ongedacht blijven de woorden, ongesproken de gedachten, ongehoord en onbegrepen. Zachte woorden blijven fluisteren in je oren vol van klanken; levend leven mensen voort.
Ik zie en zie wat jij wel ziet maar niet kunt zeggen zonder woorden. Beeld en verbeeld vervorm plastiek schrijf taal betekend velerlei uitleg. Zoek en zoek tel tot het einde en vind opnieuw het enig echte. Die leugen is nog nooit zo groot geweest. Het leven is nog nooit zo dood geweest. Kerf splinter voor splinter schuur polijst en politoer de glanzende gestalte waar niemand vat op heeft. COCON
OMMEKEER En in de omgekeerde wereld, daar staat alles op zijn kop, de bazen worden knechten en wat onder ligt wordt top. Je grapt, je trapt, je gapt, je stapt, je zapt en je houdt eens niet je kop, want in de carnavaleske wereld zet je alles op zijn kop. In de niet-omgekeerde wereld, staat daar niet alles op zijn kop, wordt de waarheid niet verzwegen en wordt de leugen niet verkocht? En ieder slikt en stikt en klikt en flikt en mikt op jut zijn kop; in de niet-omgekeerde wereld, daar krijgt ieder op zijn kop. Is het dan geen verkeerde wereld waarin elk kopstuk wordt ontkopt, elk maaiveld, draaiveld, kraaiveld, haaiveld, graaiveld omgekocht? Een slangenkuil vol adderbroed krioelt vergiftigd rond, en in de goed fout verkeerde wereld, daar likt elk een anders kont. Maar in de omgekeerde wereld, daar komt ineens een ommekeer, de goede geest van een schijnheilig mens daalt op eenieder neer: eens in het jaar, heel even maar, komt er goedgeefsheid in ons op, ja, in die omgekeerde wereld staat echt alles op zijn kop.
ADEM Als je dit leest ontmoet ik jou jij leert me kennen door deze taal. Deze dode taal leeft op in jou jij geeft haar leven door haar te lezen. En als je ogen weer zijn afgewend zijn deze woorden onveranderd. Maar als je deze woorden kent leven ze verder in jou heb jij hen - adem - gegeven.
BARTLEHIEM (ik gean werom nei) Ik gean werom nei Bartlehiem Ik hâld dit Dokkum foar gesjen Ik gean no nei ‘t kearpunt aldêr Ik krije myn stimpel oeral alwer. As ik fierder klauw nei Ljouwert As myn foet wurdt altyd mar kâlder As ik finish kryg ik moai myn lintsje As ik dy oanwiis oan myn swier afgepêgerd freontsje... Dat Alvestêdetocht kostet my myn halsiis Dat geklún makket in minske dochs healwiis Dat ien allinne skoatser yn è polder Dat it iis sil teie en myn kop sit hiel tsjin kolder. ‘t Is aaklik reedride yn dit friezent Fryslân ‘t Is dat folk hjir, né, ik forstean d'r perfoarst neat fan ‘t Is dat ik most starte, moars bitiid al yn it tsjuster ‘t Is no midden yn è nacht, ik haw de finish net fortsjinne... Ik gean werom nei Bartlehiem.
NAR Een vreemde ben ik in jouw ogen omdat ik mij niet heb bekend gemaakt; me laten kennen heb ik niet gemogen of gedurfd. Maar nu is het te laat. Het leven gaat zijn gang, ik moet gedogen dat het niet verder komt dan alledag; de alleraardse gang, uitdagend pogen toch meer eruit te halen dan vermag. Maar elk gedrag is onherkenbaar te vervormen tot wrange schaduw van dat wat het ooit was, het schiet zijn doel voorbij, laat zich misvormen. Lachwekkend misbaksel, een clown, een nar, te slim om zich te laten vangen in een vorm, gaat inhoudsloos verloren, als kronkelende worm.
MENE TEKEL De tekens van de tijd in het gelaat gegroefd verleeft de mens zijn leven tot in het diepst bedroefd. De vreugde is vergeten verdriet leeft dichterbij de tijd heeft het betekend het hart bloedt er voorbij. De tijden zijn geteld verteld, het mensenleven, vergankelijk, gewild. Verspilde mogelijkheden de tijden te beleven als vrijheid, levensteken.
POËZIE Namen op beslagen ramen, stokken, schrijvend in het zand, stenen strak opeen gestapeld, moment van grootse poëzie. Bomen loverend in de wind, kinderen, zingend flierefluiten, luisteren naar dat lied van vroeger, monument van poëzie. Dromen denkend in gedicht, witte wol uiteen gedrafeld, stamelend: het zwarte schaap! dat, licht bewegend in het licht, oeverloos weerspiegelingen - stokkend - schrijft in dit gedicht.
LOLITA Het is niet door jouw huid dat ik mij raken laat, je jonge jeugd gaat aan mijn hand voorbij; jouw toekomst heeft geen deel aan mij, maar jij veroorzaakt mij in deze staat. Het is niet de ontmoeting met jouw ogen dat ik gevoelens koester die niet kunnen zijn. Gedachten zonder uitzicht doen mij pijn, die wegen zoeken uit een wereld die niet mogen. Niet in jouw handen is het, dat ik me wil geven, te teder en te pril, gaan zij die last niet aan. Hoe kan ik nu voortaan, ook maar heel even, een droom gaan leven die geen kans heeft op bestaan? Jouw leven is het niet, waardoor ik ben verloren, onuitgesproken liefde moordt mijn hart eruit; juist door het jarenlang verschil kun jij niet horen de woorden die mijn mond zoekt, maar verzwijgt. Mijn kort bestaan vindt zo een wreed besluit: het is niet door jouw huid, jouw ogen of jouw handen, maar door mijzelf, de opgeroepen misverstanden, en door jouw lieve snuit, Lolita, kleine guit...
Bundel Verbeeldingen gepubliceerd.
BLOESEMS IJl als de frisse witte gloed waas van sneeuw die glanzen doet moet als een onverlangde wens de mens terug tot tijdigheid. In deemoed komen wensen weer toch onverdringbaar elke keer terug te keren tot het einde proberen meer te zijn als zijnde het bedoelde bloesem wezen onherroepen zijn herrezen maar gedoemd tot eindigheden eenmaal leiden tot verleden. Zo is ieder mens verwezen tot oneindig kijken lezen doorgaan met het bloesem zijn eindeloos in wit zo klein.
Colle di Val d'Elsa Land van goud waar dichters dolen, dwalen door het glooiend veld, vol overgoten zonnestralen, met warmte in het liefdeshart, dat lyrisch zingt in nieuwe verzen van een eeuwenoud verhaal, zinderend gekleurde taal, blijft bekoren van verlangen: in een adem ademloos. Land van goud waar schilders wonen, die penselen op hun doek, alle kleuren gulden tinten, uitbundig en in overvloed, laten dansen vlugge handen, vormen vloeien vanzelfsprekend uit het oog in een beweging schoon weerschijnend vol verlangen: zonder weerga weergaloos.
BRAND Het huis, dat staat in brand; mijn heden is in het geding, verleden staat hier op het spel, gedachten worden nu gewist; mijn leven moet ik redden, want mijn huis, dat staat in brand. De straat, die staat in brand; de mensen zijn hier onder dreiging, woningen komen nu ter sprake, werelden zomaar weggevaagd; die levens moet ik redden, want de straat, die staat in brand. Ook de stad die staat in brand; de silhouetten staan te roken, verbanden dreigen te verdwijnen, samen levend gaan op in as; wat moet ik dan hiervan nog redden, als ook de stad hier staat in brand? De staat, die staat in brand; die zo zorgvuldig opgebouwd, die zo nauwkeurig neergezet, als de verbeelding van zovelen, gaat onder in mijn fantasie, wat als de staat al staat in brand? Staat de wereld ook in brand, vraag ik mij steeds hevig af, vraagt iedereen aan iedereen, die ergens nog een beetje hoopt dat alles wat ik hier verzin vervliegt in nodeloze rook?
Bartók op. 12 Als kleur die reeds tot grijs verbleekt verschijnt het waanbeeld voor het oog dat niet meer kijkt, of ziet naar buiten alleen het innerlijk nog ziet bestaan. Als tijd die als zichzelf verdicht komt steeds het afscheid dichterbij zodat veraf niet meer bestaat maar je te na komt in een schemer. Breek met dit weergaloos geluid verscheur de letter van elk woord tot wezenloze slotcadans van klank die wordt tot dodendans gekletter van skeletten letters gevat in onbeschrijfelijke staal van taal.
DE ZEE Het water weegt, beweegt, een golvende beweging die eindloos zoekt naar wegen van het water, het water dat al zolang eindeloos beweegt beweegt en weegt wat water willoos doet en moet en eeuwig spreekt, het is de stem van het water, die spreekt en wreekt van alles dat het is ontnomen waardoor de golven komen in een woordeloos gedicht. De zee, de zee, die oeverloos ontwricht, het water dat verspreekt wat weerloos niet kan wreken, blijft spreken in een eindeloos gedicht dat zich steeds sprakeloos verzwicht te spreken een stem die zich verheft die sprakeloos verheven spreekt voor ons allen die gaan duiken achter duinen, te angstig voor dat groots geweldig licht. De zee beweegt zich oeverloos oneindig zonder zich grenzeloos te voegen binnen golven die gretig zich verbijten aan de zanden en de zouten van het bitterzoet geweld de lege lucht, de loze laagheid van de landen kristallen zwepend over uitzichtloze stranden gedicht gedachten in dit machteloos geweld. Wat is het, zee, dat ons zo bezighoudt?
NACHTBLOEM Als schone schijn van schilderingen wordt tot waas van spiegelingen, vormen kringelen onvermoeid groeiend bloeiend op het doek, toont de dichter zich in daden spreekt in woorden van een adem, blijft het kijken oogontwijkend en bloemen lachen je weer toe: dat doen de kleuren uit de doeken. Als weerschijn van betoveringen bloeit tot beeld herinneringen, slingeren sierlijk pas voor pas kleurend geurend hoe het was, staan je ogen naar die beelden komend uit dichtbij verleden, brengen woorden weer naar buiten wat ongezegd verzwegen was: dat brengen klanken in verbeelding.
LANDSCHAP Waarheen waait de wind in dit verstilde landschap, hoe zweven mijn ogen doorheen deze stilte, wat brengen bewegingen in mij teweeg als ik hiernaar kijk met mijn stille geest? Waarheen gaat het water in die grote ruimte, wat gloeien mijn ogen doorheen deze kleuren, hoe groeien gedachten hier op de beweging van alle elementen op dit witte doek? De luchten, de wolken, de bergen en stromen, de vlakten verleggen mijn horizon van alle vragen, van alle grenzen, die antwoordloos gaan naar onoplosbare raadsels, gegeven in een enkele blik.
VALENTIJN Oh, mijn schat, mijn liefste, waarom, waarom houd ik toch zoveel zoveel van jou, mijn schat, mijn liefste? Mijn liefste, oh, mijn schat, ik moet je zeggen, ik moet je zeggen, dat ik zoveel, ja, dat ik zoveel, zoveel van je hou, zoals jij, hoop ik, van mij, mijn liefste, mijn schat. Waarom voel ik mij toch zo, toch zo verlegen, om te moeten zeggen, steeds maar weer te zeggen, te moeten zeggen zonder durf, steeds maar verlegen, dat ik toch zoveel, teveel, zoveel, altijd maar weer van je hou, zoals jij dan maar van mij, mijn onbekende, maar mijn toch diep beminde, mijn liefste en mijn schat? Mijn vrolijke valentijn, zoete geinige valentijn, jij laat mij glimlachen in mijn hart. Jouw blikken zijn olijk, je ogen zo vrolijk, ja, jij bent mijn favoriete bard. Mijn arm ligt onder jou en mijn andere omhelst je, ik zoek je in de nacht en kus je teder, zacht, ik wil wel met je doen zoals het hert doet met de hinde, mijn onbekende, onbeminde, oh, sorry, pardon, ik bedoel: mijn bekende en zo diep beminde, mijn liefste die ik liefheb, dieper dan dichtbij mijzelf, ik hou van mij, ook jij?
DICHTEN Dichten is de hoogste kunst zeggen woorden in hun wezen en brengen zinnen terug tot sneden van schrijfletters aan elkaar Dichten is niet elk gegund velen moeten blijven lezen en zich verbazen over tekens die verrassend verder gaan dan alles wat een woord betekent anders dan waar je op rekent theater van het groots gebaar. Snedig schrijvend nooit vergissend altijd treffend en nooit missend dichten blijft de hoogste kunst.
SNIJDEN Moderne dichters snij den zinnen aan stuk ken en doen dan als of daarin een Diepe bete kenis schuilt De dom me lezer Probeert iets van de ze kortade migheid te snap Pen maar verliest zich in de zinle digheid van dit geraas kal Er staat Name lijk Ni ets
MEI De bloesems blijven vallen van uiteengerafelde trossen als voorjaarssneeuw van bomen watervallen witte en rose en rode losbladige regen van kleur die eenmaal op de grond het groene gras, vermengt tot mozaïek, zolang het duurt. De rode gloed doet leven tot de hoop vervliegt als blaadjes voortzwevend van de bloesemtros over de afstand tot aan de grond verspreid door wind en lucht gewichtloos langzaam dalend naar de juiste plaats, neerkomend in mozaïek, zolang het duurt. Het rose blad verbeeldend de gedachten aan een lichter beter of luchtiger dromen loskomend van de bloementros trots aan de boom versierend losgelaten voorjaarshand vol rondzwevende eenlingen, zwervend naar mozaïek, zolang het duurt. Het witte einde van de mei verkleurend bloesemblad eens wit en rose en rood en mozaïek, zolang het duurt verbreekt de tovering van kleuren verbleekt tot wit tot wind tot losgelaten adem van een voorjaar vol licht
ZEGEL Het leven slijt de dagen afgeteld tijd is als geld een eeuwig leven kwijt. Lijd door het licht de schaduw van het leven nacht duurt maar even waar woorden zijn gedicht. Dicht in het vuur de wonden van geweld dood lichaam smelt voor tijd het laatste uur. Zacht stenen dood als leven is geteld Een geest verzegeld in papieren woorden.
PAPIER Papieren woorden leven niet, gelezen, ongelegen, als adems zuchten, geven niets om woorden zonder geest. Papieren dichters lezen niet, geleefd of ongelezen, de letters blijven zonder zin, als onbelezen tekens. Het levend kennen, tekenen, beschrijft wat woorden zijn, zonder ook iets, dat leven is, betekent zonder zijn. Wat gaat voorbij als ruwe klank, zonder betekenis, is geen of iets, en even niets, nooit wat dan ook geweest. Begrijpen woorden, neem in dank, geen klanken zonder rijm, dan ongelezen lettertekens, die kunnen alles zijn, wat ooit eens iemand maar voor waar wil nemen. Geen woorden lezen ogen hier, zoveel betekenissen, geen oren horen deze klank, maar niemand zal het missen, er is geen oordeel, woorddeel hier, papier slechts waar te nemen.
ALLEEN Laat me alleen ik heb mezelf verloren als pseudo niemand leef ik zonder een naam. Mijn leven is voor anderen verloren in het voorbijgaan aan werkelijk bestaan. Dromen doen de zekerheid verliezen in mijn verbeelding verander ik jouw naam, opdat ik vat krijg op je prachtige verschijning maak ik een beeld van liefdevolle woorden.
REGELS Regels, vers geschreven, zetten vol betekenissen mensen aan het denken Tussen ongeschreven regels lees ik tot in de puntjes de zinnen van het leven Met geen zin om te schrijven beteken ik opnieuw dit onbeschreven blad dat daarmee dan in één haal verandert zinloos leeg in een betekend schrift.
TIJD De wijzer wijst snijdt een-twee per seconde telkens tikjes tijd uit mijn leven. Plakjes vallen schilferend schaafsel beetjes bij stukjes, achter mijn lijf. Veeg mijn doorsnee leven stof stoffer doffe blik kijk om, op onvergeten beelden voorgoed verleden naar wat over is steeds minder. Tijd schrijdt voorbij eindigt.
WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOOREN WORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOOREN WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN
ABC Aardige anderen ademen altijd anders, brullen balorig belerende blagen; constant coherent copieuze crapulen dwalen doelloos door de dwaze dingen. Ergens ervaren eenzame eenlingen flitsende fratsen, friemelig flemend; grijzende griezels, grijperig graaiend, hengelen houterig, honend hijgend, in iemands innig intrieste innerlijk. Jolige jukken, jijende jouwen, kronkelen krukkig, kijken koppig, laten leeglopend lieverlee lerend los; mollige monden malen melige moes, naarnetelig nukken nietsige niemanden, opperen opzichtig open ogende oren. Perpetuüm pervers persoonlijke poriën, quizzen queestig, quasi querulant, raar regulerend rond ronkende regels, schrijven, stekelig starend, schone schijn, talloze tekens tegen torenhoge tollen. Uiige ulevellen uiten urenlang voorbij vliegende vlagen verbeelding, waar wezenloos weerbarstige werkelijkheden, xenofobisch xylofonen xerograferen. Yellende yogi's, yammende yuppies, zoeken, zacht zinloos zwaar, zonder zwart.
WARM En sterven wil ik in Italië, liefst ten zuiden van Florence, desnoods dan dichtbij Tavarnelle, opgebaard in een diligence. Het gouden graan zal me omringen, de gulden gloed, de zinderende zon, doorgloeit mijn stijf en strak gebeente, verdwenen, alles wat ik kon. Mijn leven heb ik willen leven, zonder kopzorgen, in dat warme land vol openluchtmuseumkunst en hooggestemde literatuur, waarbij de loop der politieke geschiedenis mij in mijn laatste uur als een visioen voorbijgaat, mij reikend de geslagen hand. En Giotto's fresco's, Dante's canto's en Macchiavelli's Il Principe omwinden mij met tekstgeschreven linten op mijn reis naar het vagevuur, alwaar ik door verbeten vlammen gelouterd kom tot de kern van mijn bestaan: ik leef om hier te sterven, lijk voortgetrokken door de paarden die mijn hemelwagen trekken, galopperend door Toscane, in de waan van mijn verbeelding, God, wat is dat Holland koud.
CARNAC Stenen schuiven schurend rond als megaliten mastodonten; mijn miezerige muizenissen verzinken in een kleine geest te niet. Graniet in kwetsbaarheid bekrast, spoken, elke vorm benemend, zijn imposant mystieke menhirs, tekens die het leven zelf bestempelt. Sluipend slippen tussendoor de oer oordelende symbolen van het amorfe wezen ik, dat de boodschap bedreiging, de onloochenbare orde, ontglipt, in een bevrijdend ontwaken.
BOEKEN Verward in de verworden sfeer der zoekenden speurend naar nieuw te verwerven wijsheid overvalt mij telkens bij het binnentreden van de serene ruimte vol banden, folianten, smalle paperbacks, rariora, buitenformaten, omsingeld door sigla, signaturen en verwijzingen de reuk, het odeur, oh, de goddelijke geur van wijsheid, zilvervisjes knagend aan papieren pagina's kwetsbaar voor de bedorven aandacht, of slechte adem van gebruikers, verbruikers en spellers en lezers, misbruikers, wurmen die ruiken aan de hemelse lucht van bibliotheken, woorden, boeken. Was ik maar daar, al bladerend door bladzijden, gericht op geschreven gebonden geschriften, van voorgoed vergane werelden van open boeken, boeken, boeken!
PROZËET Natuurlijk ben ík hier in ‘t land de beste; maar helaas voor mij: daar wil nog niemand aan. Ik probeer dan ook met deze geste of mijn poëzie nog aan wil slaan. Men beschuldigt mij van arrogantie! - uiteraard ontken ik die spontaan. Ik geef u hierbij zelfs de garantie: èlk woord is geïnspireerd ontstaan. Ik neem de vrijheid van mij af te bijten, deez' aantijgingen wijs ik van de baan zo meen ik mij hierbij dan vrij te pleiten. Als vrije dichter kan ik nu voortaan mij van mijn hoge roeping weer gaan kwijten om zin om zin onzinnen uit te slaan.
OPRECHT Ik ben een middelmatig mens en wat ik regelmatig wens is dat ik uit het middelbaar word op getild tot kunstenaar! Zo maak ik maar eenvoudig werk en wat ik dan veelvuldig merk is dat op rechte middelmaat toch beter is dan surrogaat.
PROFEET Natuurlijk ben ik niet geëerd, maar dat alleen in eigen land want al mijn spreuken aan de wand zijn voor hier veel teveel geleerd. Ik mag dan wel als heilsprofeet de banvloek spreken over al, de beste schippers staan aan wal, ‘t is hoger inzicht, voor ik weet. Het onheil zie ik vanaf mijn zuil zich voltrekken, donkerwolkend ondanks, volgens mijn voorspelling. Had ik nu maar mijn grote muil, de vernietiging vertolkend, een keer gehouden, als zelfkwelling...
SCHRAPPEN Schiften in gedichten schrappen in geschriften geschreven en geschrapt of in en uit gegeven, is: Drukken onder persen woorden zonder verzen gedicht en of geschrift geschrapt en afgedrukt, dus: Leef je maar uit in zwart op wit geschift geschrift, en: Verzin geschrijf vergeef en drijf gedicht gedachten uit. Zo!
ZONDERTIJD In het tijdloze tijdperk, alles daar duurt altijd; het begint noch het eindigt, tijden krommen venijnig, met natuurwetten strijdig, alles duurt daar altijd. In het tijdloze tijdperk alles daar draait er door, wat voor is komt achter, aan beurt is de wachter, en iedereen lacht er, alles draait er daardoor. In het tijdloze tijdperk alles daar lijkt voorbij, maar het moet nog beginnen, hoe kun je ‘t ook verzinnen, tijd eindeloos winnen, alles is al voorbij. In het tijdloze tijdperk, in het ontijdig strijdperk, ligt het tempo steeds sneller, moet je altijd hard rennen, om ieder vooruit te snellen, je plaats zeker te stellen, niets en niemand voorbij. In een tijdloos tijdperk, is alles altijd geweest, want niets is eeuwig.
De wijs der wijze wespen De geur van grote gisting dreef ons tot volksverbinding, de geur van grote gisting lokte ons uit de richting. Die geur van stank, ontbinding maakte ons tot hopelozen, de staat van stank ontbinding, leidde tot waarheidsvinding die ons als nuttelozen, verried ons goed te lezen, uitzicht op richtingslozen doorgaand voor bollebozen. Die wijzen zijn verwezen ver van onze bestemming verweesd zijn wij verwezen naar weifelende wegen. Handelend zonder remming naar hoger doelen streven met hartstocht zonder remming verstorven wij als lemming. Wij lieten zo het leven, richtingsloos afgeweken wij moesten alles geven zinledig opgeheven, diep in het glas gekeken, bedaasd, verglaasd, bedronken, verdronken wij als leken, beneveld tollend teken. - ‘t is uit, wij zijn beschonken, werkten ons in de nesten, de honing deed ons lonken naar drank waarmee wij klonken.
[Web Creator] [LMSOFT]