Stichting Cumuli
Poëzie
[
mailto:info@cumuli.nl]
In de Actie Poëzie: Gedicht van de Maand’ publiceert Cumuli de eerste zaterdag van elke maand een nieuw gedicht van
Cornelis van der Grift. Zij worden als kaartjes toegezonden aan boekhandels in Nederland en België en via mail aan anderen.
De bundel ‘Verbeeldingen, fantasie in woord en beeld’ is verschenen met gedichten van Cornelis van der Grift en schilderijen van Els Kramer.
Lezen? Ga naar de knop van de maand.
Bestellen? Ga naar de webshop.
# Poëzie Abonnement - 12 gedichten per jaar
[
./cumulimuziekpag.html]
[
./indexpag.html]
[
./cumuliconcertenpag.html]
[
./cumuligitaarstudiopag.html]
[
./cumulikunstpag.html]
[
./cumulieducatiepag.html]
[
./cumuliwebshoppag.html]
[
mailto:info@cumuli.nl]
[
./cumulicompactdiskspag.html]
[
./cumulimusicologiepag.html]
[
./cumulilinkspag.html]
OKTOBER
Lange uren luisteren
naar fluisterende
populieren bladeren
vol ongeduld.
Glazen kristallijnen
druppelende ruiten
watermozaïeken
zien uit naar buiten.
Tien dagenlange maanden
tot dit niet te vermijden
getijde van het jaar.
Wind waait de wolken weg
de wereld kwijnt in het gevecht
om leven in het voorjaar.
Wie wint er?
STAD
Vaste blokken stof tot steen
saxofonen ornamenten
overslingeren versierend
strakke lijnen leegte.
Volle aders straatverkeer
staande golvende geluiden
zoeken wemelende wegen
uit de val ontsnappen.
Volgen vaste rituelen
gaande massa medewezens
wegen in dit leven.
Totdat deze stille stad
voor een enkel eenzaam uur
verwordt tot labyrint van rust.
HET PAARD EN DE EZEL
De pakezel gaat met de last op zijn rug
zijn weg door de straat telkens heen en terug.
Het glanzend paard dat hem gadeslaat
gaat in zijn verbeelding de ezel te vlug.
Het droompaard denkt dat het pak dat hem pracht geeft
hem stempelt tot iemand die wijsheid in pacht heeft
en hij nu daardoor tot de adel behoort
waarvoor deze ezel zich duidelijk in acht neemt.
De pakezel peinst: deze last die ik draag
maakt mij in mijn wandel zo uiterst traag;
als ik mij verlos van wat ik nu tors
sta ik in de achting vast niet meer zo laag.
Ezel en paard zijn wezens als wij;
maar wie is die ezel, ik of jij?
ACHTER
Anders weer moet alles worden
woorden telkens nieuw gewogen
welke waarheid uitgesproken
achter de herhaalde vormen.
Proef de woorden in je mond
zie ze niet achterste tong
klanken vormen zich tot taal
die de tekens beeldend vormt.
Anders dan je ziet en hoort
speelt het leven slechts een spel
leeft het wezen mens maar even.
Deze woorden weergegeven
leven echt een ander leven
achter wat hier niet kan staan.
Dit is een ‘slow-site’
neem rustig de tijd!
KINDERLYCK
Rijg de woorden aan elkaar
parelende druppels water
bevroren vasthouden om later
weer te zien, nietwaar?
Bloemen ademen op ruiten
vriezen buiten in de wind
kleine adem van het kind
dat er ooit was: een liedje fluiten!
Zelfs de ramen zijn bevroren
vorm de sneeuw met warme hand
zinderend gaan om de oren
rood nog van de koude wind
woorden geschreven
als een kind.
CRYPT-O-GRAM
Noem een Frans ritme het verkeerde been;
plaag An na deze ziekte echter niet.
Weerszijdig kort, het heeft met rum gemeen
dat je'r toch heus een verse voet in ziet.
Het is een schande zo'n gedicht te eren
hoe ongerijmd sist de Chinese drank.
Ik raad met klem de toon niet om te keren:
Latijnse kunst is per vers pond heus blank.
De tweede regel is het beentje lichten;
geen letter lucht vormt binnen in de klank
een versloos rijm: maar zie eens Poe zo dichten.
O, ‘t spits gevonden rijmend fenomeen
schrijft uit het graf, tussen het zijden weefsel,
de liefde voor een ingesloten wijsheid.
ONTMOETING
Ik kwam mezelf tegen
in de maartse zon
om een uur of negen
bij centraal station.
Ik groette hem beleefd;
hij zei geen woord terug.
Was het zó lang geleden?
Wat gaat de tijd toch vlug!
Hij kende mij niet meer,
maar als ik eerlijk ben:
ik was hem ook vergeten
tot op dit moment.
Ik liet mezelf maar gaan.
Het had geen zin om stil te staan
om over vroeger wat te praten.
Ik heb het zo gelaten.
DICHTER
Dichter bij het leven
dichter bij de dood
dichter om te geven
woorden voor wat brood.
Lichter dan het leven
lichter dan de dood
lichter om het even
woorden zwaar als lood.
Doder dan wat woorden
doder dan de taal
doder is het horen
leven zonder woorden.
Levender dan woorden
levender dan taal
levender te horen
mensen zoveel maal.
LANGE WEG
Lange weg die voor je ligt
zolang het leven is;
woorden schrijven een gedicht
zoals gegeven is.
Zoals elk evenwicht
even maar kan voortbestaan
zo kan de weg die voor je ligt
niet eindloos verder gaan.
Niet zonder einde gaan
er woorden in die zin.
Gedachten kunnen zich spontaan
omkeren tot begin.
De lange weg die voor je ligt
teruggaan tot het eind;
het denkbeeld dat je voet verlicht
en je daarvan bevrijdt.
TOEKOMST
Duister blijft voor wie niet ziet
verder dan een lengte arm
of beslagen raam voor ogen.
Dwaze bol die wereld heet
wendt zich om en om in as
zet zijn wederhelft in duister.
Kracht van zwaarte,
krommen kruipen
rond in stof,
even gewicht;
machteloos,
maar opgericht.
Licht naar de dag
die nachtloos waakt
reik hoopvol uit
wachtende handen
Er is geen keus:
de aarde draait
voor wie niets ziet
dan licht.
VERBORGEN LEVEN
Dagen zijn als alle andere
opgestaan gegaan naar buiten
wereld weigert te veranderen
anders dan door ogen zien.
Leven toont zich niet misschien
onderhuids bewogen lading
welke werkelijkheid wacht er
achter elke handeling.
Doe de voetstap breed berekend
afstand met een nadere poging
zonder zichtbaar diep betekend
onbedachte aarzeling.
Gaat het zo aan je voorbij
onverloren schuilend ding
welke wereld wordt ontketend
onbewogen spiegeling.
POËTEN
Ik ben die laatste stad voorbij gegaan,
maar heb de berg niet achter mij gelaten.
Voor wie dit lezen wil als een vroom man:
hoofse saudades zijn versluierend verlaten.
Van vriezen balkt men hier ter land victorie;
schier werd de beek woestijn, door ‘n nare kou.
In ‘t holst van Roland's lied verkrampt de glorie;
verwarrend donker: houd ‘t oog op het vinkentouw!
Vast als een duur perron, kaal, ‘t is maar niks grijzen;
die els schoot op in ‘t perk der verre wei,
mijlen ver van Jhan; lood om oud eizen.
De kop van ‘t land, en met ‘s mans mars erbij,
doet, stralend licht, een nieuwe hof verrijzen,
als favoriet; ha, kom in de rij.
klein
ik ben zo klein
zo klein als jij
het zo te zijn
lijkt bijna pijn
je aandacht richt zich nu op mij
je ogen gaan mij lezen
je handen strelen over mij
je adem doet mij leven
ik leef afhankelijk van jou
jouw taal aan mij gegeven
jouw lezen is mijn levenstocht
jouw woorden zijn geschreven
ben ik te klein
te klein voor jou
toch is het fijn
bij jou te zijn
STIL LEVEN
Woorden sterven op papier
worden zinnen zonder adem
vormen lege tekens die
betekenissen zijn verzameld.
Sprakeloos verdwijnen klanken
in het heengaan van de tijd
blijft begrijpen onveranderd
zoeken mensen er voorbij.
Langzaam wordt het leven stil
kan de leemte niet vervullen
die bewegend voort moet gaan
adem van verstikt bestaan.
Mantel liefde moet verhullen
beelden van verstild stil leven.
INGEVING
O, inspiratie, ge komt mij kwellen
in schier onmogelijke oorden.
Wat ik met u daar heb te stellen
is niet te vatten in deez' woorden.
Zet ik mij bij wijlen neder
voor een persoonlijk overpeinzen
dan, ai mij! zijt gij er weder
en wilt dien druk terug doen deinzen...
Naarstig zoek ik naar mijn pen
om uw gefluister te noteren,
maar helaas schijnt mij dan net
een papier te moeten ontberen.
Geprikkeld grijp ik snel een vod
dat voor mij lijkt weggelegd
en schrijf ik ijverig en vlot
wat gij in mijn gedachten zegt.
Plots verstijf ik, want, o schrik!
in ‘t vuur van mijn gedicht heb ik
deez' schone poëzie bezoedeld
en als ‘n uitdrukking doorgespoeld!
BEELDEN
Ontluisterd ideaal
ontmaskerde idolen
niets dan nietige
menselijke woorden.
Sier van eenvoud
dagelijkse dingen
niets blijft over
wenselijke dromen.
Altijd vernieuwend
zoeken naar wegen
verborgen.
Oude traditie
dichter van woorden
die worden.
VROEGER
Kon ik voor een kort moment
weer klein zijn en weer kind;
dan was ik voor heel even maar
in staat om onbevangen
de achterdeur weer uit te gaan
en aan de klink te hangen
eventjes, bij heldere nacht,
de sterren te aanschouwen.
Even later ging ik dan
als trouwe volgeling
en moeders lief
de trap omhoog,
waar ik ontving
voor al ‘t gedane van die dag
een slaapvers en een zoen.
Dat zul je nooit meer doen.
Maar toch,
de sterren stralen nog,
tot wolken ze verdringen
uit mijn herinneringen.
NOOIT
Kom niet terug
waarom de vragen stellen
die niemand nog vermoedt.
Ga niet voorbij
de poging te hervinden
waar niemand meer naar zoekt.
Antwoord vooruit
tot er geen vragen zijn
het eind in mist verdwijnt.
Geest uit een fles
met onbeschreven handen.
Niets komt terug
dat nooit iemand zal vinden.
MARSMANIA
Huilend om Holland
zie ik duizenden buien
lui door druilerig
landschap gaan,
grauwe onleefbaar
vuile fabrieken
al rookpluimend
aan de randstad staan;
en op de eindeloze
asfaltige straten
de autorijen
gespreid over ‘t land,
stoplichten, borden,
opgebroken wegen,
lichtmast en flitspaal
in zinloos verband.
de smog hangt er laag
en de zon wordt er langzaam
in grauwe geelkleurige
dampen gesmoord,
en in d'hofstad in ‘t westen
wordt de stem der protesten
tegen d'eeuwige rampen
gesneerd, ongehoord.
LIED
In het lied dat ik verzin
zullen alle woorden staan
die elke zin weer anders zijn.
Verliefd, is dat een goed begin
om te zijn verslingerd aan
de kunst als nieuw te leven?
Dit denkbeeld is als niets zo mooi
het lijkt echt, voor maar even.
Elke zin vormt in dit lied
het middelpunt, dierbare adem.
En een eenvoudig enkel woord
verschijnt, om als een lied te zijn:
"Jij".
WOORDEN GETALLEN
De zeven draagt structuren, maar
het ritme schrijft de woorden voor;
door zevende getallen, gegeven letters, vallen
accenten, elementen op hun plaats.
In plaats van: ik-jij-hij-wij-jul-lie-zij,
komt: een-twee-drie-vier-vijf-zes-ze-ven;
afgeteld en opgesomd, met enige betekenis,
of zonder een betekenis, dan die hier ongenoemd.
Noem de tekens bij de naam,
bewerk getallen totdat zij
zelfs zelf dezelfde zijn als zij.
Weerszijds gedragen in gevolgen
vormen ledige getallen
letterlijke volle woorden
(Dit gedicht staat ook op pagina.web-log-nl).
ALSOF
Wat jij
wel wil weten
is hoe
ik zou heten
maar mijn
pseudoniem
smoort dat
in de kiem.
Door mijn
pseudo-niemand
schuil ik
achter iemand
omdat ik
jou niet ken
weet jij
nu niet
wie ik ben.
Het lied van de huilende uien.
Dit is het lied van de huilende uien;
die arme uien, zij hebben verdriet.
Ook zij willen weleens hun gal kunnen spuien,
maar spreken, dat mogen of zullen zij niet.
Hun kern blijft verborgen in diepe geschillen,
die onder hun rokken verscholen gaan.
Hun uiterlijk uiten, iets dat uien wel willen,
spiegelt achter hun verholen bestaan.
Uien zijn tot in hun tranen geroerd,
verdroefde gevoelens brengen zij niet naar buiten,
maar laten hen, onversneden, niet onberoerd.
Verdrongen gedachten, die onbezonnen ontspruiten,
en nauwelijks ontloken, onaangeroerd,
laten zich zo niet uiten, roerbakken of fruiten.
avond angst
nevelen nacht
droomloos dicht
duisterend inzicht
versluierd licht
in de avond deze nacht
valt de wind bewegend stil
stopt de tijd gebeurtenissen
wordt de zon een wond geslagen
ondergaat ten onder gaan
kringen van een lege ruimte
plaatsvervangende beweging
stilstaand rondom niets voltrokken
wervelwind die verder draait
verstorven vuur in as verspreidt
dwingen bomen wind tot stilte
luwt de storm in het voorbijgaan
niets blijft over dan de tijd
dichter dan zichzelf dichtbij
avond angst, avond angst
nevelen nacht die droomloos dicht
gloort met daglicht van vertrouwen
levend leven tegemoet
blues
waarin te zijn
wind doet druppels
tikken tegen ruiten
stilte verbreekt
alleen zichzelf
en hierin
ben ik
niet
waarin dan wel
woorden vechten
weg naar buiten
verloren zinnen
zijn gebroken
zou ik hierin
moeten zijn
misschien niet daarin
dat ik zijn zou
struikelend om
waarin te zijn
blues
(dit gedicht is te lezen op http://blog.seniorennet.be/joeltje)
WIE DIT LEEST
Ik doe geen poging om je te bereiken
en schrijf geen poëzie voor wie dit leest;
probeer alleen om je te doen begrijpen
wat ik bedacht of, hoe ik ben geweest.
Ook denk ik geen moment aan kunst, of dichten;
wat ik hier schrijf is toch geen literatuur?
Ik formuleer om mij het denken te verlichten,
beschrijf mijn leuzen op de witte muur
van een betoverde kunstivoren toren,
spiegelwand voor poëtische woorden:
wie dit leest is zo gek nog niet.
Maar ik blijf niet koud
onder wat jij hier leest:
van jou worden woorden.
GELEZEN
in woorden uit zich poëzie
ik zie ik zeg wat jij niet ziet
laat zien wat jij hier niet kunt zien
doorlezen zinnen leven niet
lezen gaat niet over tekens
zijn daarvoor te anoniem
kunnen zelfs zichzelf niet zien
met oog op hun betekenis
door schrijven werken woorden
en in zinnen wordt gelezen
het inzicht dat begrepen is
alleen het zuiver zichtbare
levend letterlijke woord
blijft altijd ongelezen
(dit gedicht is ook geplaatst op de site www.opspraak.net )
IJS
Ogen openen het doek
wereld wit als in een boek
stille levens opgevangen
vastgelegd moment in ijs.
Kristallen bloemen waterkleur
de druppel op een glazen deur
als een liedje van verlangen
stilgelegd verstild tot ijs.
Stilaan kijken en bewegen
spiegels spreken onverzwegen
frisgetint geblozen wangen
kleuren neergelegd op ijs.
Wijs van stille verticalen
horizon hoort verre talen
tingeltangel glazen klanken
winterlicht kristallen ijs
.
STIL
Dag, gedichten, rijp of pril,
schrijf gedachten mij voor ogen,
zing je zangen ongelogen:
zonder woorden is het stil.
Letters, tekens, zonder zin,
rijg je ritmen aan elkaar,
ook al is er niets van waar:
zonder woorden is het stil.
Zeg je zinnen, zwoel of kil,
voeg betekenissen samen,
spreek ze uit als in een adem:
zonder woorden is het stil.
Zonder gedichten is het stil;
laat je poëzie maar horen,
lees van achteren naar voren;
dag, woorden die ik horen wil.
(Dit gedicht is geplaatst op de website pagina.web-log.nl en de website gedicht.nu)
SCHADUW
Schaduw van nacht
met lucht als licht
weerschijnt vandaag
uitzicht op morgen.
Dicht in de nacht
het duisterend licht
wacht op de morgen
verdonker vandaag.
Een nieuwe dag
met licht dat zacht
de schaduw lijkt te wissen.
Maar onverwacht
verschijnt een dag
van schaduwen als gisteren.
(Dit gedicht is ook geplaatst op pagina.web-log.nl)
GELDOLLAND
In Frankrijk leven alle goden,
slechts de mindere blijven hier;
kinderen, door de tijd gegeten,
Holland geeft geen helden eer.
‘t Vaderland blijft geldbelustig,
wordt verteerd door handelsgeest;
men verkoopt zijn moeder luchtig
voor wat er een gek voor geeft.
Kunst bestaat uit pegulanten,
kleingeest denkt in eigen beurs;
zielig zuchtend, weet van wanten,
vingerwijzend: domineurs.
Strak Samgeestig en kleindenkend,
stroef stofwolkend, schone schijn,
en het enige dat telt..
(Dit gedicht is te lezen op de website www.gedicht.nu
en op pagina.web-log.nl)
LICHT
Tergend langzaam in de geest,
licht het lichaam als het leeft,
kan haar holheid niet verhullen.
De toekomst is nog niet vervuld,
het uur der waarheid
heeft nog niet gesproken.
Gebroken leeft een mens zijn strijd,
de tijd die durend verder draait
verliest bij klokslag zin.
Verloren vuur verteert het licht;
het lichaam brandt als bloed
dat aderlatend leven moet.
Brokstukken liggen als verspreid,
verveeg de as verlorenheid,
want roet verduistert het gezicht.
In deze zin verschijnt het woord,
het vurig levend lichaam licht,
vederlicht.
grijs
deze woorden zijn geschreven
maar zij zijn niet wat jij denkt
heel anders dan verwachtingen
kunnen gedachten gaan
los van legeloos voorspelling
schrijf ik je de woorden voor
zodat jij ook begrijpen kunt
en kent wat ik bedoel
versluierend vergaat de glimlach
van het grijzende gelaat
met open ogen
verstard in staren
naar hopeloos
vervlogen jaren
(Dit gedicht is ook te lezen op pagina.web-log.nl)
STENEN
Ga weg in de eenzaamheid
van taal die als geen ander spreekt;
de woorden gaan vergeefs verloren
voor wie als versteend niet horen
het spreken van het hart.
Vervolg de weg in eenzaamheid
omdat ik zie wat niemand ziet;
de beelden zijn verward vergruizeld
voor de verduisterende ogen
zij weigeren het licht.
Achtervolgd door eenzaamheid
stuiten telkens op de muur
de woorden van onmogelijkheid
om je te doen bereiken.
De weg van eenzaamheid vervolgt
mijn voetstappen een weg terug
als sporen van verloren woorden
gekrast in de gebarsten muur
van stenen, stenen beelden.
STENEN
ZWIJGEN
Dichters zijn geen dichter door gedachten
gedachten zijn het goed van iedereen
van iedereen zijn woorden te verwachten
verwacht de dichter door verbeelding heen.
Achter de verbeelding van de dingen
dingen dichters naar een dieper werkelijkheid
maar werkelijkheden laten zich niet dwingen
in de dwangbuis van begrijpelijkheid.
Weerbarstige beelden worden inhoudsloos verlaten
vervlakt op plat papier, verwrongen tot verwoorde gaten
ziedend scheuren cirkels open en doodlopend oeverloos
kenteren tradities verder in de niet als het ware wereld.
En weer heen slingert het uurwerk tijd
onbeschreven stalen wetten worden horizonnen
tandeloze raderen slingeren onbegrensde woorden
onafgebeten mond op mond beademd voort.
WAALSIFLAGE
In het bokkehokje
schiet het korte bokje
wat een grote bok!
Bokkeke wat bok je
met je koppig kopje
tegen ‘t kromme hok?
Bokje waarom mok je
touwtje bekje trok je
aan de bokkeklok?
Keutelaar met propje
baardje staartje wolkje
bokkepootje mop!
Koppig bokkig bokje
duivels hoorntjes kopje
zetje pruikje op...
In het bokkehokje
staat het bokkig bokje
met een mekkerkopje
geitewollen sok.
ZOVEEL
Zoveel mensen te ontmoeten,
zoveel zinnen te ontsluiten,
zoveel is de pijn die ‘t doet
in je hart van vlees en bloed.
Hoeveel harten te beluisteren,
hoeveel ogen te betoveren,
hoeveel is er meer dan goed
voor je hoofd dat denken moet?
Ongedacht blijven de woorden,
ongesproken de gedachten,
ongehoord en onbegrepen.
Zachte woorden blijven fluisteren
in je oren vol van klanken;
levend leven mensen voort.
Ik zie en zie
wat jij wel ziet
maar niet kunt zeggen
zonder woorden.
Beeld en verbeeld
vervorm plastiek
schrijf taal betekend
velerlei uitleg.
Zoek en zoek
tel tot het einde
en vind opnieuw
het enig echte.
Die leugen is nog nooit zo groot geweest.
Het leven is nog nooit zo dood geweest.
Kerf splinter voor splinter
schuur polijst en politoer
de glanzende gestalte
waar niemand vat op heeft.
COCON
OMMEKEER
En in de omgekeerde wereld, daar staat alles op zijn kop,
de bazen worden knechten en wat onder ligt wordt top.
Je grapt, je trapt, je gapt, je stapt, je zapt en je houdt eens niet je kop,
want in de carnavaleske wereld zet je alles op zijn kop.
In de niet-omgekeerde wereld, staat daar niet alles op zijn kop,
wordt de waarheid niet verzwegen en wordt de leugen niet verkocht?
En ieder slikt en stikt en klikt en flikt en mikt op jut zijn kop;
in de niet-omgekeerde wereld, daar krijgt ieder op zijn kop.
Is het dan geen verkeerde wereld waarin elk kopstuk wordt ontkopt,
elk maaiveld, draaiveld, kraaiveld, haaiveld, graaiveld omgekocht?
Een slangenkuil vol adderbroed krioelt vergiftigd rond,
en in de goed fout verkeerde wereld, daar likt elk een anders kont.
Maar in de omgekeerde wereld, daar komt ineens een ommekeer,
de goede geest van een schijnheilig mens daalt op eenieder neer:
eens in het jaar, heel even maar, komt er goedgeefsheid in ons op,
ja, in die omgekeerde wereld staat echt alles op zijn kop.
ADEM
Als je dit leest
ontmoet ik jou
jij leert me kennen
door deze taal.
Deze dode taal
leeft op in jou
jij geeft haar leven
door haar te lezen.
En als je ogen
weer zijn afgewend
zijn deze woorden onveranderd.
Maar als je deze woorden kent
leven ze verder in jou
heb jij hen - adem - gegeven.
BARTLEHIEM (ik gean werom nei)
Ik gean werom nei Bartlehiem
Ik hâld dit Dokkum foar gesjen
Ik gean no nei ‘t kearpunt aldêr
Ik krije myn stimpel oeral alwer.
As ik fierder klauw nei Ljouwert
As myn foet wurdt altyd mar kâlder
As ik finish kryg ik moai myn lintsje
As ik dy oanwiis oan myn swier afgepêgerd freontsje...
Dat Alvestêdetocht kostet my myn halsiis
Dat geklún makket in minske dochs healwiis
Dat ien allinne skoatser yn è polder
Dat it iis sil teie en myn kop sit hiel tsjin kolder.
‘t Is aaklik reedride yn dit friezent Fryslân
‘t Is dat folk hjir, né, ik forstean d'r perfoarst neat fan
‘t Is dat ik most starte, moars bitiid al yn it tsjuster
‘t Is no midden yn è nacht, ik haw de finish net fortsjinne...
Ik gean werom nei Bartlehiem.
NAR
Een vreemde ben ik in jouw ogen
omdat ik mij niet heb bekend gemaakt;
me laten kennen heb ik niet gemogen
of gedurfd. Maar nu is het te laat.
Het leven gaat zijn gang, ik moet gedogen
dat het niet verder komt dan alledag;
de alleraardse gang, uitdagend pogen
toch meer eruit te halen dan vermag.
Maar elk gedrag is onherkenbaar te vervormen
tot wrange schaduw van dat wat het ooit was,
het schiet zijn doel voorbij, laat zich misvormen.
Lachwekkend misbaksel, een clown, een nar,
te slim om zich te laten vangen in een vorm,
gaat inhoudsloos verloren, als kronkelende worm.
MENE TEKEL
De tekens van de tijd
in het gelaat gegroefd
verleeft de mens zijn leven
tot in het diepst bedroefd.
De vreugde is vergeten
verdriet leeft dichterbij
de tijd heeft het betekend
het hart bloedt er voorbij.
De tijden zijn geteld
verteld, het mensenleven,
vergankelijk, gewild.
Verspilde mogelijkheden
de tijden te beleven
als vrijheid, levensteken.
POËZIE
Namen op beslagen ramen,
stokken, schrijvend in het zand,
stenen strak opeen gestapeld,
moment van grootse poëzie.
Bomen loverend in de wind,
kinderen, zingend flierefluiten,
luisteren naar dat lied van vroeger,
monument van poëzie.
Dromen denkend in gedicht,
witte wol uiteen gedrafeld,
stamelend: het zwarte schaap!
dat, licht bewegend in het licht,
oeverloos weerspiegelingen
- stokkend - schrijft in dit gedicht.
LOLITA
Het is niet door jouw huid dat ik mij raken laat,
je jonge jeugd gaat aan mijn hand voorbij;
jouw toekomst heeft geen deel aan mij,
maar jij veroorzaakt mij in deze staat.
Het is niet de ontmoeting met jouw ogen
dat ik gevoelens koester die niet kunnen zijn.
Gedachten zonder uitzicht doen mij pijn,
die wegen zoeken uit een wereld die niet mogen.
Niet in jouw handen is het, dat ik me wil geven,
te teder en te pril, gaan zij die last niet aan.
Hoe kan ik nu voortaan, ook maar heel even,
een droom gaan leven die geen kans heeft op bestaan?
Jouw leven is het niet, waardoor ik ben verloren,
onuitgesproken liefde moordt mijn hart eruit;
juist door het jarenlang verschil kun jij niet horen
de woorden die mijn mond zoekt, maar verzwijgt.
Mijn kort bestaan vindt zo een wreed besluit:
het is niet door jouw huid, jouw ogen of jouw handen,
maar door mijzelf, de opgeroepen misverstanden,
en door jouw lieve snuit, Lolita, kleine guit...
Bundel Verbeeldingen gepubliceerd.
BLOESEMS
IJl als de frisse witte gloed
waas van sneeuw die glanzen doet
moet als een onverlangde wens
de mens terug tot tijdigheid.
In deemoed komen wensen weer
toch onverdringbaar elke keer
terug te keren tot het einde
proberen meer te zijn als zijnde
het bedoelde bloesem wezen
onherroepen zijn herrezen
maar gedoemd tot eindigheden
eenmaal leiden tot verleden.
Zo is ieder mens verwezen
tot oneindig kijken lezen
doorgaan met het bloesem zijn
eindeloos in wit zo klein.
Colle di Val d'Elsa
Land van goud waar dichters dolen,
dwalen door het glooiend veld,
vol overgoten zonnestralen,
met warmte in het liefdeshart,
dat lyrisch zingt in nieuwe verzen
van een eeuwenoud verhaal,
zinderend gekleurde taal,
blijft bekoren van verlangen:
in een adem ademloos.
Land van goud waar schilders wonen,
die penselen op hun doek,
alle kleuren gulden tinten,
uitbundig en in overvloed,
laten dansen vlugge handen,
vormen vloeien vanzelfsprekend
uit het oog in een beweging
schoon weerschijnend vol verlangen:
zonder weerga weergaloos.
BRAND
Het huis, dat staat in brand;
mijn heden is in het geding,
verleden staat hier op het spel,
gedachten worden nu gewist;
mijn leven moet ik redden,
want mijn huis, dat staat in brand.
De straat, die staat in brand;
de mensen zijn hier onder dreiging,
woningen komen nu ter sprake,
werelden zomaar weggevaagd;
die levens moet ik redden,
want de straat, die staat in brand.
Ook de stad die staat in brand;
de silhouetten staan te roken,
verbanden dreigen te verdwijnen,
samen levend gaan op in as;
wat moet ik dan hiervan nog redden,
als ook de stad hier staat in brand?
De staat, die staat in brand;
die zo zorgvuldig opgebouwd,
die zo nauwkeurig neergezet,
als de verbeelding van zovelen,
gaat onder in mijn fantasie,
wat als de staat al staat in brand?
Staat de wereld ook in brand,
vraag ik mij steeds hevig af,
vraagt iedereen aan iedereen,
die ergens nog een beetje hoopt
dat alles wat ik hier verzin
vervliegt in nodeloze rook?
Bartók op. 12
Als kleur die reeds tot grijs verbleekt
verschijnt het waanbeeld voor het oog
dat niet meer kijkt, of ziet naar buiten
alleen het innerlijk nog ziet bestaan.
Als tijd die als zichzelf verdicht
komt steeds het afscheid dichterbij
zodat veraf niet meer bestaat
maar je te na komt in een schemer.
Breek met dit weergaloos geluid
verscheur de letter van elk woord
tot wezenloze slotcadans
van klank die wordt tot dodendans
gekletter van skeletten letters
gevat in onbeschrijfelijke
staal van taal.
DE ZEE
Het water weegt, beweegt, een golvende beweging
die eindloos zoekt naar wegen van het water,
het water dat al zolang eindeloos beweegt
beweegt en weegt wat water willoos doet en moet
en eeuwig spreekt, het is de stem van het water,
die spreekt en wreekt van alles dat het is ontnomen
waardoor de golven komen in een woordeloos gedicht.
De zee, de zee, die oeverloos ontwricht,
het water dat verspreekt wat weerloos niet kan wreken,
blijft spreken in een eindeloos gedicht
dat zich steeds sprakeloos verzwicht te spreken
een stem die zich verheft die sprakeloos verheven
spreekt voor ons allen die gaan duiken achter duinen,
te angstig voor dat groots geweldig licht.
De zee beweegt zich oeverloos oneindig
zonder zich grenzeloos te voegen binnen golven
die gretig zich verbijten aan de zanden
en de zouten van het bitterzoet geweld
de lege lucht, de loze laagheid van de landen
kristallen zwepend over uitzichtloze stranden
gedicht gedachten in dit machteloos geweld.
Wat is het, zee,
dat ons zo bezighoudt?
NACHTBLOEM
Als schone schijn van schilderingen
wordt tot waas van spiegelingen,
vormen kringelen onvermoeid
groeiend bloeiend op het doek,
toont de dichter zich in daden
spreekt in woorden van een adem,
blijft het kijken oogontwijkend
en bloemen lachen je weer toe:
dat doen de kleuren uit de doeken.
Als weerschijn van betoveringen
bloeit tot beeld herinneringen,
slingeren sierlijk pas voor pas
kleurend geurend hoe het was,
staan je ogen naar die beelden
komend uit dichtbij verleden,
brengen woorden weer naar buiten
wat ongezegd verzwegen was:
dat brengen klanken in verbeelding.
LANDSCHAP
Waarheen waait de wind in dit verstilde landschap,
hoe zweven mijn ogen doorheen deze stilte,
wat brengen bewegingen in mij teweeg
als ik hiernaar kijk met mijn stille geest?
Waarheen gaat het water in die grote ruimte,
wat gloeien mijn ogen doorheen deze kleuren,
hoe groeien gedachten hier op de beweging
van alle elementen op dit witte doek?
De luchten, de wolken, de bergen en stromen,
de vlakten verleggen mijn horizon
van alle vragen, van alle grenzen,
die antwoordloos gaan
naar onoplosbare raadsels,
gegeven in een enkele blik.
VALENTIJN
Oh, mijn schat, mijn liefste,
waarom, waarom
houd ik toch zoveel
zoveel van jou,
mijn schat, mijn liefste?
Mijn liefste, oh, mijn schat,
ik moet je zeggen, ik moet je zeggen,
dat ik zoveel, ja, dat ik zoveel,
zoveel van je hou,
zoals jij, hoop ik, van mij,
mijn liefste, mijn schat.
Waarom voel ik mij toch zo,
toch zo verlegen,
om te moeten zeggen,
steeds maar weer te zeggen,
te moeten zeggen zonder durf,
steeds maar verlegen,
dat ik toch zoveel,
teveel, zoveel,
altijd maar weer
van je hou,
zoals jij dan maar van mij,
mijn onbekende,
maar mijn toch diep beminde,
mijn liefste en mijn schat?
Mijn vrolijke valentijn,
zoete geinige valentijn,
jij laat mij glimlachen in mijn hart.
Jouw blikken zijn olijk,
je ogen zo vrolijk,
ja, jij bent mijn favoriete bard.
Mijn arm ligt onder jou
en mijn andere omhelst je,
ik zoek je in de nacht
en kus je teder, zacht,
ik wil wel met je doen
zoals het hert doet met de hinde,
mijn onbekende, onbeminde,
oh, sorry, pardon, ik bedoel:
mijn bekende en zo diep beminde,
mijn liefste die ik liefheb,
dieper dan dichtbij mijzelf,
ik hou van mij,
ook jij?
DICHTEN
Dichten is de hoogste kunst
zeggen woorden in hun wezen
en brengen zinnen terug tot sneden
van schrijfletters aan elkaar
Dichten is niet elk gegund
velen moeten blijven lezen
en zich verbazen over tekens
die verrassend verder gaan
dan alles wat een woord betekent
anders dan waar je op rekent
theater van het groots gebaar.
Snedig schrijvend nooit vergissend
altijd treffend en nooit missend
dichten blijft de hoogste kunst.
SNIJDEN
Moderne dichters snij
den zinnen aan stuk
ken en doen dan als
of daarin een
Diepe bete
kenis schuilt De dom
me lezer
Probeert iets van de
ze kortade
migheid te snap
Pen maar verliest
zich in de zinle
digheid van dit geraas
kal Er staat
Name
lijk Ni
ets
MEI
De bloesems blijven vallen
van uiteengerafelde trossen
als voorjaarssneeuw van bomen
watervallen witte en rose en rode
losbladige regen van kleur
die eenmaal op de grond
het groene gras, vermengt
tot mozaïek, zolang het duurt.
De rode gloed doet leven
tot de hoop vervliegt als blaadjes
voortzwevend van de bloesemtros
over de afstand tot aan de grond
verspreid door wind en lucht
gewichtloos langzaam dalend
naar de juiste plaats, neerkomend
in mozaïek, zolang het duurt.
Het rose blad verbeeldend
de gedachten aan een lichter
beter of luchtiger dromen
loskomend van de bloementros
trots aan de boom versierend
losgelaten voorjaarshand vol
rondzwevende eenlingen, zwervend
naar mozaïek, zolang het duurt.
Het witte einde van de mei
verkleurend bloesemblad
eens wit en rose en rood
en mozaïek, zolang het duurt
verbreekt de tovering van kleuren
verbleekt tot wit tot wind
tot losgelaten adem
van een voorjaar vol licht
ZEGEL
Het leven slijt
de dagen afgeteld
tijd is als geld
een eeuwig leven kwijt.
Lijd door het licht
de schaduw van het leven
nacht duurt maar even
waar woorden zijn gedicht.
Dicht in het vuur
de wonden van geweld
dood lichaam smelt
voor tijd het laatste uur.
Zacht stenen dood
als leven is geteld
Een geest verzegeld
in papieren woorden.
PAPIER
Papieren woorden leven niet, gelezen, ongelegen,
als adems zuchten, geven niets om woorden zonder geest.
Papieren dichters lezen niet, geleefd of ongelezen,
de letters blijven zonder zin, als onbelezen tekens.
Het levend kennen, tekenen, beschrijft wat woorden zijn,
zonder ook iets, dat leven is, betekent zonder zijn.
Wat gaat voorbij als ruwe klank, zonder betekenis,
is geen of iets, en even niets, nooit wat dan ook geweest.
Begrijpen woorden, neem in dank, geen klanken zonder rijm,
dan ongelezen lettertekens, die kunnen alles zijn,
wat ooit eens iemand maar voor waar wil nemen.
Geen woorden lezen ogen hier, zoveel betekenissen,
geen oren horen deze klank, maar niemand zal het missen,
er is geen oordeel, woorddeel hier, papier slechts waar te nemen.
ALLEEN
Laat me alleen
ik heb mezelf verloren
als pseudo niemand
leef ik zonder een naam.
Mijn leven is
voor anderen verloren
in het voorbijgaan
aan werkelijk bestaan.
Dromen doen
de zekerheid verliezen
in mijn verbeelding
verander ik jouw naam,
opdat ik vat krijg
op je prachtige verschijning
maak ik een beeld
van liefdevolle woorden.
REGELS
Regels, vers geschreven,
zetten vol betekenissen
mensen aan het denken
Tussen ongeschreven regels
lees ik tot in de puntjes
de zinnen van het leven
Met geen zin om te schrijven
beteken ik opnieuw
dit onbeschreven blad
dat daarmee dan in één haal
verandert zinloos leeg
in een betekend schrift.
TIJD
De wijzer wijst
snijdt een-twee
per seconde
telkens tikjes tijd
uit mijn leven.
Plakjes vallen
schilferend schaafsel
beetjes bij stukjes,
achter mijn lijf.
Veeg mijn doorsnee leven
stof stoffer doffe blik
kijk om, op onvergeten beelden
voorgoed verleden
naar wat over is
steeds minder.
Tijd schrijdt
voorbij
eindigt.
WOORDEN
WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN
WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN
WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN
WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN
WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN
WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN
WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN
WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOOREN WORDEN WOORDEN
WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN
WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN
WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN
WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN
WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN
WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN
WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN
WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN
WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN
WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN
WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN
WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN
WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN
WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN
WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN
WORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN
WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN
WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN
WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN
WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN
WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN
WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN
WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN
WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN
WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN
WORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN
WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN
WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN
WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN
WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN
WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN
WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN
WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN
WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN
WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN
WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN
WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN
WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN
WORDEN WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN
WORDEN WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN
WORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN
WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOOREN WORDEN WOORDEN
WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN
WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN
WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WORDEN
WOORDEN WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN
WOORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN
WOORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN
WOORDEN WORDEN WOORDEN WORDEN WOORDEN WOORDEN WORDEN
WOORDEN
ABC
Aardige anderen ademen altijd anders,
brullen balorig belerende blagen;
constant coherent copieuze crapulen
dwalen doelloos door de dwaze dingen.
Ergens ervaren eenzame eenlingen
flitsende fratsen, friemelig flemend;
grijzende griezels, grijperig graaiend,
hengelen houterig, honend hijgend,
in iemands innig intrieste innerlijk.
Jolige jukken, jijende jouwen,
kronkelen krukkig, kijken koppig,
laten leeglopend lieverlee lerend los;
mollige monden malen melige moes,
naarnetelig nukken nietsige niemanden,
opperen opzichtig open ogende oren.
Perpetuüm pervers persoonlijke poriën,
quizzen queestig, quasi querulant,
raar regulerend rond ronkende regels,
schrijven, stekelig starend, schone schijn,
talloze tekens tegen torenhoge tollen.
Uiige ulevellen uiten urenlang
voorbij vliegende vlagen verbeelding,
waar wezenloos weerbarstige werkelijkheden,
xenofobisch xylofonen xerograferen.
Yellende yogi's, yammende yuppies,
zoeken, zacht zinloos zwaar, zonder zwart.
WARM
En sterven wil ik in Italië, liefst ten zuiden van Florence,
desnoods dan dichtbij Tavarnelle, opgebaard in een diligence.
Het gouden graan zal me omringen, de gulden gloed, de zinderende zon,
doorgloeit mijn stijf en strak gebeente, verdwenen, alles wat ik kon.
Mijn leven heb ik willen leven, zonder kopzorgen, in dat warme land
vol openluchtmuseumkunst en hooggestemde literatuur,
waarbij de loop der politieke geschiedenis mij in mijn laatste uur
als een visioen voorbijgaat, mij reikend de geslagen hand.
En Giotto's fresco's, Dante's canto's en Macchiavelli's Il Principe
omwinden mij met tekstgeschreven linten op mijn reis naar het vagevuur,
alwaar ik door verbeten vlammen gelouterd kom tot de kern van mijn bestaan:
ik leef om hier te sterven, lijk voortgetrokken door de paarden
die mijn hemelwagen trekken, galopperend door Toscane,
in de waan van mijn verbeelding, God, wat is dat Holland koud.
CARNAC
Stenen schuiven schurend rond
als megaliten mastodonten;
mijn miezerige muizenissen
verzinken in een kleine geest te niet.
Graniet in kwetsbaarheid bekrast,
spoken, elke vorm benemend,
zijn imposant mystieke menhirs,
tekens die het leven zelf bestempelt.
Sluipend slippen tussendoor
de oer oordelende symbolen
van het amorfe wezen ik,
dat de boodschap bedreiging,
de onloochenbare orde, ontglipt,
in een bevrijdend ontwaken.
BOEKEN
Verward in de verworden sfeer der zoekenden
speurend naar nieuw te verwerven wijsheid
overvalt mij telkens bij het binnentreden
van de serene ruimte vol banden, folianten,
smalle paperbacks, rariora, buitenformaten,
omsingeld door sigla, signaturen en verwijzingen
de reuk, het odeur, oh, de goddelijke geur van wijsheid,
zilvervisjes knagend aan papieren pagina's
kwetsbaar voor de bedorven aandacht,
of slechte adem van gebruikers, verbruikers
en spellers en lezers, misbruikers, wurmen
die ruiken aan de hemelse lucht
van bibliotheken, woorden, boeken.
Was ik maar daar, al bladerend door bladzijden,
gericht op geschreven gebonden geschriften,
van voorgoed vergane werelden
van open boeken,
boeken,
boeken!
PROZËET
Natuurlijk ben ík hier in ‘t land de beste;
maar helaas voor mij: daar wil nog niemand aan.
Ik probeer dan ook met deze geste
of mijn poëzie nog aan wil slaan.
Men beschuldigt mij van arrogantie!
- uiteraard ontken ik die spontaan.
Ik geef u hierbij zelfs de garantie:
èlk woord is geïnspireerd ontstaan.
Ik neem de vrijheid van mij af te bijten,
deez' aantijgingen wijs ik van de baan
zo meen ik mij hierbij dan vrij te pleiten.
Als vrije dichter kan ik nu voortaan
mij van mijn hoge roeping weer gaan kwijten
om zin om zin onzinnen uit te slaan.
OPRECHT
Ik ben
een middelmatig mens
en wat
ik regelmatig wens
is dat
ik uit het middelbaar
word op
getild tot kunstenaar!
Zo maak ik
maar eenvoudig werk
en wat ik
dan veelvuldig merk
is dat op
rechte middelmaat
toch beter
is dan surrogaat.
PROFEET
Natuurlijk ben ik niet geëerd,
maar dat alleen in eigen land
want al mijn spreuken aan de wand
zijn voor hier veel teveel geleerd.
Ik mag dan wel als heilsprofeet
de banvloek spreken over al,
de beste schippers staan aan wal,
‘t is hoger inzicht, voor ik weet.
Het onheil zie ik vanaf mijn zuil
zich voltrekken, donkerwolkend
ondanks, volgens mijn voorspelling.
Had ik nu maar mijn grote muil,
de vernietiging vertolkend,
een keer gehouden, als zelfkwelling...
SCHRAPPEN
Schiften in gedichten
schrappen in geschriften
geschreven en geschrapt
of in en uit gegeven,
is:
Drukken onder persen
woorden zonder verzen
gedicht en of geschrift
geschrapt en afgedrukt,
dus:
Leef je maar uit
in zwart op wit
geschift geschrift,
en:
Verzin geschrijf
vergeef en drijf
gedicht gedachten uit.
Zo!
ZONDERTIJD
In het tijdloze tijdperk,
alles daar duurt altijd;
het begint noch het eindigt,
tijden krommen venijnig,
met natuurwetten strijdig,
alles duurt daar altijd.
In het tijdloze tijdperk
alles daar draait er door,
wat voor is komt achter,
aan beurt is de wachter,
en iedereen lacht er,
alles draait er daardoor.
In het tijdloze tijdperk
alles daar lijkt voorbij,
maar het moet nog beginnen,
hoe kun je ‘t ook verzinnen,
tijd eindeloos winnen,
alles is al voorbij.
In het tijdloze tijdperk,
in het ontijdig strijdperk,
ligt het tempo steeds sneller,
moet je altijd hard rennen,
om ieder vooruit te snellen,
je plaats zeker te stellen,
niets en niemand voorbij.
In een tijdloos tijdperk,
is alles altijd geweest,
want niets is eeuwig.
De wijs der wijze wespen
De geur van grote gisting
dreef ons tot volksverbinding,
de geur van grote gisting
lokte ons uit de richting.
Die geur van stank, ontbinding
maakte ons tot hopelozen,
de staat van stank ontbinding,
leidde tot waarheidsvinding
die ons als nuttelozen,
verried ons goed te lezen,
uitzicht op richtingslozen
doorgaand voor bollebozen.
Die wijzen zijn verwezen
ver van onze bestemming
verweesd zijn wij verwezen
naar weifelende wegen.
Handelend zonder remming
naar hoger doelen streven
met hartstocht zonder remming
verstorven wij als lemming.
Wij lieten zo het leven,
richtingsloos afgeweken
wij moesten alles geven
zinledig opgeheven,
diep in het glas gekeken,
bedaasd, verglaasd, bedronken,
verdronken wij als leken,
beneveld tollend teken. -
‘t is uit, wij zijn beschonken,
werkten ons in de nesten,
de honing deed ons lonken
naar drank waarmee wij klonken.
[
Web Creator]
[
LMSOFT]